vorige pagina

 

Uit het Hooglied …

 

Strofe 14. [over de beminde]

 

Mijn welbeminde, het bergland,

De dichtbeboste, eenzame valleien,

eilanden, nooit geweten,

de ruisende rivieren,

 de fluistering van strelend zachte winden.

 

‘Nacht’ indringende stilte’ van een nooit vergane (glorie) orde der tijden.

‘Dichtbeboste eenzame valleien’ hier ontdekt de ziel de aanwezigheid van ‘haar’ ‘Beminde’. In de eenzaamheid van ruisende rivieren en neerstortende waterpartijen, en in een fluistering van strelend zachte winden, ongekende verten met onbeboste heuvels vindt, de ziel haar rust, ontspanning en genot.

 

‘Nacht’ van voorafgegane stilten’ der schemerlichte dagen, muziek van eenzaam zwijgen vol muzikale liefdesklanken, ongekend avondmaal dat tot verliefdheid wekt.

 

‘Welbeminde Bruidegom’ dat is het begin van het lied dat de ziel aanheft voor haar ‘Beminde’. Mijn loflied is U ten alle tijd waardig; en hevige verlangens komen in haar op, verlangend is zij naar een ontmoeting met haar ‘Bruidegom’ s’werelds immanente grootheid in liefdes macht.

 

‘Op plekken en plaatsen’ die vol zijn van eeuwige rust en voortgang, verlangd zij, in het bijzijn van liefdes/genoten naar een zichtbare ontmoeting met haar ‘Bruidegom’. Telkens als ‘Hij’ haar ziel treft, wordt zij vervuld van ‘Zijn’ gedruis van ‘Machtige Aanwezigheid’, dat zich voortbeweegt door liefdevolle fluisteringen van strelend zachte winden, verklaarbaar als een begrijpende geest die ‘haar’ s’mensen verstand verlicht.

 

Strofe 15.

 

De nacht, d’indringende- stilte,

voorafgegaand aan het schemerlichte

dagen, muziek van zuiver zwijgen,

eenzaam vol van klanken, het avondmaal,

dat opwekt en verliefd maakt.

 

‘Eenzaam en zwijgend’ gaat de ‘indringende stilte’ door de nacht, die voorafgaand aan haar zoektocht, bedding is voor haar hartstochtelijke liefdesverlangen, en omdat zij door haar ziels ‘Beminde’ tot rust is gebracht, is zij in staat verder te leven, en het leven als een avondmaal te ervaren, dat haar verliefd maakt, en waardoor zij meer en meer verlangd naar herkenning, inzicht en liefdeswijsheid van haar ‘Beminde’.

 

‘Het gedruis van waterpartijen’ vult de avondstilte, bekkens vullen zich tot spiegelende vijvers en geheimvolle binnenzeeën, herkenbare bronnen van inzicht en wijsheid.

 

‘De ziel verklankt de weerschijn van haar ‘Beminde’ als een helder en betrouwbaar zwijgen ontvangt zij de liefdesvonken van haar ‘Beminde’ als een glorievolle invloed dat haar geluk brengt als zwijgend goud.

 

‘De Bruidegom maakt zich aan haar kenbaar’ als een inwendige stem die uitnodigt verliefd te blijven en te blijven zoeken in verlangen, langs ongekende wegen, eilanden en paden.

 

‘Alle noodtoestanden in wereldse activiteit ten spijt’, de roepstem van de beminde langs ‘bergland, bossen en struwelen’, zullen klaarheid brengen, door de talrijke stemmen die blijven uitnodigen, de liefde te volgen en lofliederen aan de ‘Bruidegom’ toe te brengen.

 

   Tmeegvds