vorige pagina

Deel I

 

 

 

“WERK-GEBEDEN-BOEK”

 Voor de actieve gelovige …

 

Dit is een ‘werk-gebeden-boek’ voor de actieve gelovige.

 

We leven heden ten dage in andere tijden dan toen het christendom begon, en dat mag best zijn weerslag hebben op de wijze van geloven vandaag de dag. Geloven in een moderne betekenis van geloof. Daar gaat het over in deze verzamelde bundels teksten en verhalen. Het zijn getuigenissen van mijn zoektocht naar de ware betekenis van geloof, en hoe deze in onze samenleving tot uiting te brengen. Een zoektocht naar de ware betekenis van het Godsgeloof en wat kan religie nog betekenen voor ons land en de mensen die daarin wonen. In de tegenwoordige tijd die van de 21ste eeuw. Het resultaat van deze zoektocht is niet in een paar woorden uit te leggen. Dat kan alleen als je bereid ben om een eindje met mij mee te gaan, om mee te lezen en de aanwijzingen te volgen die tijdens het lezen zichtbaar worden.

 

En ik heb het makkelijk gemaakt, het is geen wetenschappelijk boek en geen studie boek, het is een aanwijsboek geworden, je kunt het elk moment van de dag openslaan, en je voordeel mee doen. Althans; als je net zoals ik gelooft dat spiritualiteit, en religie vandaag en in de toekomst nog een belangrijke rol heeft te vervullen in de moderniteit van een mensheid die steeds meer individueler aan het worden is, door moderne communicatie kanalen, en door de oprukkende vervreemding ten opzichte van elkaar, door de veelheid aan ‘Kunstmatige Intelligente technologie’, zoals vormen van opslagdata als Dataïsme, Bigdata; door digitale overdracht,  dat een ‘niet menselijke’ invloed heeft, en op mensheid zal hebben.  

 

Nijmegen

11 mei 2018     

Deel I.

   
 

 

 

 

 

 

[1] GEEN STERVELING KAN GOD ZIEN … EN TOCH GELOVEN.

 

 

Overpeinzing in een kerkruimte:

 

 

Geen sterveling kan God zien of horen.

 

Overpeinzingen in een hoge kerkruimte. Waarom dan de opbouw van deze hoge ruimten? Nooit zal Gods stem hier hoorbaar tot ons neerdalen, ook al is een kathedraal nog zo hoog. God bestaat in onze ‘verbeelding’ al eeuwenlang, ‘Zijn’ Stem en ‘Zijn’ Gelaat heeft stilte aangenomen, eeuwige stilte, ‘durende’ stilte, dat ons mensen heeft gevormd tot ‘gelovigen’ die in huizen en tempels ‘hun’ God eerbied betonen, offers brengen en gebedsdiensten beoefenen.

 

Zij hebben die eeuwige ‘stilte’ in de ‘geest’ vertaald door te luisteren naar ‘Zijn’ woord en ‘Zijn’ Stem, en deze omgevormd tot een eeuwigdurend gebed. “God” is een taal die door de ‘geest’ tot ons spreekt, en door ‘verbeelding’ is het mogelijk geworden, Gods stem te horen, te proeven, en te horen spreken, in een taal dat voor ‘ieder’ die er oren naar heeft, verstaanbaar en hoorbaar is, zelfs ‘zichtbaar’ voor het ‘derde oog’ (intuïtie of gave) dat aan sommige mensen gegund is. Geen sterveling kan God zien of horen. Wel, zich verbonden weten met de stilte van het onuitgesproken woord, ervaarbare stilte, zichtbare stilte, aanwezige stilte, ‘ruimte’ voor liefdeskracht.

 

[meer lezen? klik naar R.02.16]

 

 

 

 

 

[2] EEN VERHAAL OVER ‘ALLEMAAL’  en ‘IEDEREEN’:

 

‘Allemaal’ dacht dat ‘Iedereen’ het deed.

 

Er moest “werk” gedaan worden en ‘Allemaal’ dacht dat ‘Iedereen’ het deed, echter ‘Iedereen’ dacht hetzelfde als ‘Allemaal’. Het resultaat van dit denken was dat wat zo nodig gebeuren moest in het belang van ‘Allen’ niet werd gedaan. ‘Allemaal’ dacht het, en bijna deed ‘Niemand’ het. ‘Allemaal’ dacht dat het echt nodig gebeuren moest, maar ‘Iedereen’ deed het niet.’ Allen’ dacht toen toch echt dat ‘Iedereen’ het moest doen.

 

Uiteindelijk deed ‘Iemand’ het, maar toch vond ‘Iemand’ dat ‘Iedereen’ en ‘Allen’ het ook moesten doen. Want ‘Iemand’ vond het niet gepast dat hij het alleen moest doen, en vond echt dat ‘Allen’ mee moest helpen. “Samen” … dacht ‘Allen’ toen heel slim, staan we sterker, en dan, kan ‘Ontmoeting’ en ‘Zorgzaamheid’ ook mee doen. En ‘Ontmoeting’ wist dat er vele geschikte plaatsen voor waren, bijvoorbeeld in de kerken, daar komen velen toch al bij elkaar om met ‘Allen’ en ‘Iedereen’, samen te vieren met ‘Allemaal’, want bijna geen mens word daar uitgezonderd.

 

‘Allemaal’ zal vooral blij zijn omdat ‘Niemand’ ook niet uitgezonderd wordt. Zodat ‘Allen’ kan doen wat ‘Iedereen’ zo belangrijk vindt.

 

 

 

 

 

[3] EN HET LICHT VERLICHTTE ONS:

 

Litanie of lofzang …

 

Christus: mens geworden zoon Gods,

reizend licht vanaf onze geboorte.

Christus: menselijke schepping door God?

Christus: menselijke verbeelding door geloof?

Christus: menselijke verbeelding uit verlangen?

Christus: menselijke schepping uit man en vrouw?

 

We weten het niet! Wat we wel weten is; dat in het begin van onze jaartelling, een ‘heilige geboorte’ heeft plaats gevonden, weerloos tussen de machten en de krachten van het kwaad en de verdrukking. Uit een niet wetende duisternis van vroeger tijden, hoorden ‘mensen’ van ‘die hemelse geboorte’. En ‘Kerk-Vaders’ die het weten konden, vertelden de mensen hoe zij op de knieën moesten, met een angstig geweten en neergeslagen blik. En staande voor ‘hen’ die het altijd beter wisten, waren deze mensen machteloos woordeloos.

 

Mysterie (geheim/zien) van de liefde in herkenbaarheid.

Mysterie (geheim/proeven) van de liefde in zuiverheid.

Mysterie (geheim/horen) van de liefde in waarheid en geweten.

Mysterie (geheim/tasten) van de liefde in de ontmoeting.

 

Mens die de aarde ontstijgt.

Mens die zijn oerkracht ontstijgt.

Mens  die de hebzucht ontstijgt.

Mens die zijn wellust ontstijgt.

 

[meer lezen? klik naar G.04.18]

 

 

 

 

 

[4] Titus Brandsma Lezing in de Stevenskerk.:

Huub Oosterhuis 16 juni 2017 Nijmegen

 

Er zijn mensen die van jongs af aan voelen, en in de loop der jaren steeds helderder weten, wat ze met hun leven moeten: dat ze een eigen weg hebben te gaan – iets als radar in hen zet ze op die weg, èn houdt ze op die weg. Soms kunnen ze op latere leeftijd vrij trefzeker aangeven wat in hun jeugd vooruitwees naar de taak die zij later te vervullen kregen.

 

Ik was 18, ik wou priester worden. Ik moest- en zou – ik begon eraan in de eerbiedwaardige Orde der Jezuïeten. Je leerde mediteren, nadenken over God en deze wereld en jezelf daarin. Je leerde bidden: overgave, je ziel ter beschikking stellen van deze wereld, kome wat komt. Ik bad me de blaren, en vaak, steeds vaker, overviel me al biddend het ‘god-bestaat-niet-gevoel’. Maar dan ging de bel, en na zeven minuten nog eens – einde van de meditatie. Dan moesten we naar de kloosterlijke ziekenvleugel, oude mannen verschonen, met zachte handen. Dat deed ertoe. En dan verdween mijn god-bestaat-niet-gevoel.

 

Ik zou vanmiddag – ik moet, het is mijn roeping – de vraag willen stellen of wij niet, maatschappij-breed dus niet alleen in kerkelijke kringen, een diepgaande bezinning nodig hebben op het geloof in God; wat dat is, wat het te weeg brengt, hoe ‘politiek’ relevant dat is, nu vele van huis uit christenen en vooraanstaande theologen, naar eigen zeggen tot persoonlijke bevrijding, afrekenen met het geloof in God, hemel en hiernamaals, en daarvan in verschillende media stellig getuigenis afleggen.

 

[meer lezen? ga naar P.01.38]

 

 

 

 

 

[5] Over het waarom van het “belang” en de “geloofwaardigheid” van het religieuze leven van nu.

 

In de mensenwereld zijn twee krachten werkzaam (dualiteiten), die op elkaar inspelen:

Het goed          (opbouwend – positief – yin – geboorte – structureel –   bewarenden)

Het kwaad       (afbrekend – negatief – yang – sterven – destructief – doemenden)

 

Het goede heeft zijn aanhangers (volgelingen)

Het kwade heeft zijn aanhangers (volgelingen)

 

Er is een mensenmenigte die open staat voor vrede en harmonie, en er is een mensenmenigte die alleen aan zichzelf denkt, en ten koste van een ander, er beter op wordt. Deze mix van goede en kwade krachten, je kan ook zeggen een mix van weten en onwetendheid, hebben invloed op de samenleving al duizenden jaren lang, 1000 jaar geleden was dat zo, en 65 jaar geleden ook. Goede krachten, en kwade krachten, het heeft vorm gekregen en heeft zich vastgezet in de samenlevingen, tot aan vandaag. Het beïnvloed mensen, en mensen beïnvloeden andere mensen. Veel mensen maken zich bezorgd en zijn bereid zich in te zetten voor een samenleving met een menselijk waardigheid, ook zij beïnvloeden mensen en worden beïnvloed. Massa’s mensen sluiten hun ogen voor wat gebeurt en gaan hun eigen weg, en laten gebeuren wat gebeurt, meer en meer zien mensen via tv en communicatie kanalen wat er mis gaat in ons land, in Europa en in de wereld, we weten hoe het komt.

 

Velen kunnen of willen ‘niet zien’ / ‘niet weten’ / ‘niet veranderen’ omdat zij leven in een mijn inziens onterechte angst, enerzijds uit eigenbelang. Anderzijds om dat zij niet durven protesteren, uit kleinzieligheid of gemakzucht. Onterechte angst bestaat echt, soms is angst terecht, en is het gevaar te groot om iets te ondernemen. Toch kan onterechte angst ook gebaseerd zijn op lafheid, te bang om je stem te verheffen, te bang om op te vallen, te bang om te laten zien wie je bent, altijd zijn er momenten in een mensenleven heb ik ervaren, dat als je niet oplet, je een kans voorbij laat gaan om iets ten goede te doen ten opzicht van de ander, je medemens. Je kunt kansen voorbij laten gaan door ‘angsthazengedrag’.

 

[meer lezen? klik naar R.02.09]

 

 

 

 

 

[6] [GELOOF - HOOP - LIEFDE

 

Geloof, hoop, en liefde, zijn een eenheid en de hoop daarin is dat het een ‘dragend’ krachtveld is. Hoop is het verlangen ‘mens’ te mogen zijn onder alle omstandigheden, om te leven in menswaardige levens omstandigheden, dat door ‘geloof’ gerealiseerd kan worden, en door ‘liefde’ het beste gedijd.

 

Geloof, Hoop en Liefde, zijn een “heilige“ drie-eenheid dat voor ieder mens gunstige uitwerkingen kan hebben, in die zin; dat ieder mens er mee van doen heeft, en er de uitwerking van kan ervaren.

 

Voor de een is er de ‘hoopvolle verwachting’ dat het leven zich te allen tijde ten goede keert. Voor de ander is ‘hoop’ ‘niet meer of minder’ dan een te verwachten voortgang van goede gebeurtenissen die dankzij God zullen worden gerealiseerd.

 

Geloof, en Hoop, zijn belangrijke verwachtingen die toekomstgericht zijn, en uit ervaringen voortkomen die gebeurtenissen teweeg brengen waarin ‘liefde’ een essentiële rol speelt.

 

Geloof en Hoop, zijn ‘katalyserende’ overtuigingen in mensen, waardoor zij ‘liefdesinwerkingen’, duurzame contacten, en goede gebeurtenissen kunnen veroorzaken in mensen. Ook al is liefde niet altijd in volle activiteit aanwezig, hoop blijkt voor veel mensen een aanjagend/effect te hebben dat onzichtbare paden en verbintenissen legt, tussen het “idee of het ontstaan” van iets, dat “wordend” gebeurt, en het “eindresultaat” ervan is dat ‘geloof en hoop’, ‘liefdes ervaringen’ vastlegt in ons geheugen.

 

[meer lezen? klik naar H.03.18]

 

 

 

 

 

[7] VIEREN en STILTE …

 

Samen ‘stilte’ vieren, een stilte

‘gedragen’ door  aanwezigen.

 

Hoe klein of groot de groep ook is, deze ‘stilte’ is wijds, en diepte heeft zij ook, deze wordt gevormd door een ruimte van leegte die vol is van aanwezig zijn.

 

Zonder vorm, zonder kracht, voelbaar als liefde en aandacht dat tot heiliging leidt. Wendbaar is het, naar alle kant.

 

Gedragen wordt deze ‘stilte’ door het verlangen van de aanwezigen, het stijgt op en daalt neer, dit verlangen ‘is’ rondom, en als geest werkt het bevrijdend, door het ‘ruimtelijke’ in ons hart tot een eenheid te brengen met ‘onze’ geest, onze spirituele bewaarkamer.

 

Het is ‘heiligend’ omdat die ‘stilte’ ontdaan is van menselijke onrust, van menselijke dadendrang, van verlangen naar meer, naar mooier, naar beter.

Deze ‘stilte’ voor God, is aanwezig zoals wij denken dat God aanwezig is. Stil, zwijgend, ervarend, niet als herkenbare aansprekelijkheid maar van iets dat stichtelijk is.

 

Wetende dat het niet alleen ‘hier’ is maar ook ‘daar’ kan zijn, zoals het gisteren er was en vandaag er is, en morgen er ook zal zijn.

Deze ‘stilte’ is onsterfelijk, onvergankelijk, onverbrekelijk, onaantastbaar omdat het niet te pakken is, het nieting is, geen leegte, geen volte maar ruimte, geloofde werkelijkheid.

 

[meer lezen? klik naar G.04.19]

 

 

 

 

 

[8] Uit de Regel van de Karmel geschreven door Abt Albertus… in 1247

 

 

OMGORD MOETEN ZIJN DE LENDENEN MET DE GORDEL VAN DE KUISHEID.

 

BESCHERMD MOET ZIJN DE BORST MET HEILIGE OVERWEGINGEN; ER STAAT IMMERS GESCHREVEN: HEILIGE OVERWEGINGEN ZULLEN JULLIE BEHOUDEN.

 

AANGETROKKEN MOET WORDEN HET HARNAS VAN DE GERECHTIGHEID, ZODAT JE DE HEER JE GOD MET HEEL JE HART EN MET HEEL JE ZIEL EN MET HEEL JE KRACHT BEMINT EN JE NAASTE ALS JEZELF.

 

GENOMEN MOET WORDEN BIJ DIT ALLES HET SCHILD VAN HET VERTROUWEN.

 

DE HELM OOK VAN HET HEIL MOET OP HET HOOFD WORDEN GEZET, OPDAT JE HET HEIL VERHOOPT VAN DE ENIGE HEILAND, DIE ZIJN VOLK VERSCHOONT VAN ZIJN SCHENDINGEN.

 

HET ZWAARD NU VAN DE GEEST, DAT IS HET WOORD VAN GOD, DAT HET OVERVLOEDIG MOGEN WONEN IN JULLIE MOND EN HART.

 

EN WAT OOK MAAR DOOR JULLIE GEDAAN MOET WORDEN, HET GEBEURD IN HET WOORD VAN DE HEER.

 

[meer lezen? klik naar 03-regel]

 

 

 

 

 

[9] LIEFDE  =  MENSENLIEFDE ? 

MINNE  =  GODSLIEFDE ?

 

Wat is liefde, wat is Minne?

 

Dat zijn samenwerkende ‘invloeden’ van intense ‘gelukservaringen’ die door geboorte of ontstaanskracht ons als schoonheid en ‘waarachtigheid’ zichtbaar getoond worden. En dat in ieder mens aanwezig is van geboorte af, en dat wordt vanuit een ‘eeuwigheidsbeginsel’ aan ieder van ons meegegeven; je wordt er door geraakt als de golfslag van een eeuwig weten. Met herkenbare gevoelens uit het binnenste van je ‘zijn’ kan het je hart doen vibreren, en die vibraties doen een verlangen naar verzadiging ontstaan. Het overvalt je dan als een huivering, en er ontstaat een hunkering naar meer, en heel je wezen wil bezwangerd raken van deze gelukservaringen.

 

De contrasten in licht en donker in de ‘schoonheid’ van de natuur doen mij, een gloed van liefdesbeleving ervaren, in weemoed, ‘weemoed’ niet van treurnis, maar van verwachting naar gevoelens van ‘een iets’ dat er blijvend en eeuwig voor mij was en is. Tranen wellen op achter mijn oogleden, vanuit een ‘diepte’ dat boven mijn ‘eigen’ individu uitstijgt, en golvend wordt aangezet van ‘binnen’ uit met ongekende kracht, twijfelgevoelens wegspoelend; krachten door de geest opgewekt, en voortgestuwd vanuit een ‘bron’ van een oorspronkelijk onbekend verleden. Dat aan mij ‘mens van nu’, door liefdesklanken, vanuit een verleden en het heden ‘als vanuit een oer verlangen’ wordt getoond. ‘Liefdesklanken’ die in volle vrijheid worden ontvangen, diepten, spelonken en donkere dalen overstijgend en mij verlichten in beloftes van ‘ontmoetingen’ in vandaag en morgen.

 

S’mensen ‘liefdesverlangen’ doet ons mensen uitstijgen boven het dier, het mogen van mij liefdeservaringen of liefdesklanken van een elegante schoonheid worden. Een schoonheid die aan ons en door ons; in woord en beeld, in gebed en gezang worden uitgesproken, bezongen of meegedeeld, die ons doen uitstijgen boven onze dagelijkse besognes uit.

 

[meer lezen? klik dan naar H.03.16]

 

 

 

 

 

[10]

Meditatie in de zin van, 

‘zitten’ voor God of een hogere entiteit.

Zitmeditatie.

 

 

Meditatie in de zin van zitten voor God, of een hoge entiteit, op een afgelegen plek, individueel of in een groep. Hier is er sprake van contemplatie, of een voortdurend aanwezig zijn in concentratie. … Zitten in het hier en nu … is hier, een voortdurend bewust aanwezig zijn en een gericht zijn op iets, een God of hogere entiteit, met als oefening het loslaten van de dagelijkse bezigheid, de onrust die het denken teweeg brengt. Spanningen en gebeurtenissen van het dagelijkse leven laten zijn wat het is.  

 

Tijdens het zitten kunnen gevoelens van vreugde, smart, waakzaamheid, ongenoegen, hulpeloosheid, eerbied, ontzag en stilte, elkaar afwisselen in een actieve strijdbaarheid, en tegenstrijdige gevoelens veroorzaken van opgeven of doorgaan. Het zitten kán een strijd worden tussen de geest en het lichaam, door pijn en onrust. Het kan ook momenten van vreugde en ontzag geven. Die strijd kan alleen door veel oefenen losgelaten worden.

 

Het zitten.

Het zitten moet je leren, het is een jarenlange oefening, dat je leven kan beïnvloeden, en het is niet te zeggen hoe lang het leerproces zal duren. Het gaat dan ook om het zitten en niet om het bereiken van resultaat of doel. Er is geen doel wel een weg om te gaan, en tijdens het volgen van die weg de volmaakte stilte of volledige rust ervaren.

 

[meer lezen? klik dan naar H.05.06]

 

 

 

 

 

 

[11] De “Karmel in Boxmeer”

 

Laatste Vormingsgesprek met mijn vormingsbegeleidende .

Vrijdagmiddag 20-02-2009 Boxmeer.

 

Deze Karmeliet laat me nog eens duidelijk merken dat ik geen geschikte kandidaat voor geassocieerd lidmaatschap ben. De vragen die ik heb gesteld en mijn ideeën over kloostergemeenschap, het instituut kerk, en klerikale bemoeienis met het godsvolk, hij zegt daarvan dat hij niet snapt wat ik bedoel en er mee beoog.

 

Ook nu weer benadrukt de 'vormingsbegeleider' dat ik me bij mijn handmatige en begeleidingsactiviteit, en mijn bijzondere bemoeienis met het werk op de ‘Wambeek’ moest behouden, volgens hem ligt alleen daar mijn kracht. Hij vindt mijn interesse naar pastorale activiteit maar niks. Met nadruk stelt hij; dat ook zijn assistente, de Provinciaal en Wilma  er net zo over denken. Hij verduidelijkte mij, niet alleen hij, maar ook de “anderen” denken er net zo over! (dat heb ik al vaker gehoord!)

Toen ik zei; dat ik in het gesprek met de Provinciaal had geconstateerd dat er niet zo’n vertrouwen’s relatie bestond tussen hem en mij, protesteerde hij, zo van; dat was er wel. In het kort komt het er op neer dat deze 'vormingsbegeleider' niets kan met mijn kritiek op kerk en klerikaal gezagsniveau. Als ik netjes mijn mond had gehouden, en geen kritische geluiden had laten horen, dan was er niks aan de hand geweest. Mijn speuren en zoektocht (progressief denken) naar wat is reëel en aanvaardbaar binnen geloof en traditie, kon ik niet delen met deze karmeliet, en aangezien hij mijn Vorming/begeleidende was, moest deze vormingsweg haast wel met een bepaalde zekerheid spaak lopen.

 

Ik voor mij, ben blij dat ik de vraag aan de provinciaal, om ‘professie te mogen doen’ op de regel, heb doorgezet, nu weet een ieder waar hij aan toe is. Ik had het allemaal nog wel kunnen rekken, maar door mij kritische houding, is dat toch wel teveel gevraagd binnen onze (gestructureerde) ‘geïnstitutionaliseerde’ geloofsgemeenschappen. Mijn twijfel over het reële bestaan van een God, zoals die binnen de kerken wordt voorgesteld, wordt gewoonweg niet getolereerd, ze vinden het wel prima als je er af en toe een opmerking over maakt, maar verder mag je echter niet gaan, twijfelen mag, maar het moet niet gestructureerd aan de orde komen. Mijn kritiek op de Paus en aanverwante gelegenheden, kan wel reëel zijn, maar het mag geen discussie punt worden.

[11] Kortom 'deze vormingsbegeleider' zag het met mij helemaal niet meer zitten. Hoe minder ik, ja en Amen zeg, hoe meer kritiek hij op mij heeft, en des te minder hij mij zag zitten. Blinde gehoorzaamheid is ook binnen de Karmel een hoeksteen gebleven.

 

Mijn vraag over; of ik met de Lectio Divina mee mocht blijven doen op de vrijdagochtend, werd dan ook afwijzend beantwoord. Op mijn suggestie, dan kan ik af en toe wel een “bezinningsweek mee gaan doen” werd heftig afwijzend gereageerd, kortom 'mijn vormingsbegeleider' gaf mij te kennen dat ik uit hun beeld moest verdwijnen.

 

Omdat de karmeliet mij kennelijk niet kon overtuigen, begon hij over mijn levensstatus, over wat er allemaal niet goed gegaan was; scheidingen en werk. En hij stelde mij ‘serieus’ voor dat ik er maar beter aan kon doen hulp te vragen, of ik niet beter psychologische begeleiding kon aanvragen, en gesprekken voeren. Toen ik hem vertelde dat dit allemaal al gebeurd was, en dat het jaren geleden afspeelde, vertoonde hij een houding van; nou ja, dan weet ik het ook niet meer!

 

Ja, zo gaat dat in ‘geïnstitutionaliseerde’ gemeenschappen!

 

[meer lezen? klik naar P.01.37]

 

 

 

 

 

[12] Uit het Hooglied …

Strofe 14. [over de beminde] van Juan van het Kruis:

 

Mijn welbeminde, het bergland,

De dichtbeboste, eenzame valleien,

eilanden, nooit geweten,

de ruisende rivieren,

de fluistering van strelend zachte winden.

 

De ‘Nacht’ indringende stilte’ van een nooit vergane glorie der tijden.

 

‘Dichtbeboste eenzame valleien’. Hier ontdekt de ziel de aanwezigheid van ‘haar’ ‘Beminde’. In de eenzaamheid van ruisende rivieren en neerstortende waterpartijen, en in een fluistering van strelend zachte winden, in ongekende verten met beboste heuvels vindt de ziel haar rust, ontspanning en genot.

 

‘Nacht’ van voorafgegane stilten’ der schemerlichte dagen, muziek van eenzaam zwijgen vol muzikale liefdesklanken, ongekend avondmaal dat tot verliefdheid wekt.

 

‘Welbeminde Bruidegom’ dat is het begin van het lied dat de ziel aanheft voor haar ‘Beminde’. Mijn loflied is U ten alle tijd waardig, en hevige verlangens komen in haar op. Verlangend is zij naar een ontmoeting met haar ‘Bruidegom’ s’werelds immanente grootheid in liefdes macht.

 

‘Op plekken en plaatsen’ die vol zijn van eeuwige rust en voortgang, verlangt zij, in het bijzijn van liefdes/genoten naar een zichtbare ontmoeting met haar ‘Bruidegom’. Telkens als ‘Hij’ haar ziel treft, wordt zij vervuld van ‘Zijn’ gedruis van een ‘Machtige Aanwezigheid’, dat zich voortbeweegt middels liefdevolle fluisteringen van strelend zachte winden, verklaarbaar als een begrijpende geest die ‘haar’ s’mensen hart en verstand verlicht.

[meer lezen? klik naar strofe 14/15]

 

 

 

 

 

LEVEN ALS MONNIK OF EREMIET …

[13]

Monastiek leven in onze tijd (21ste Eeuw).

 

Wat monnik zijn voor mij betekent!

Ooit waren er eremieten en kluizenaars, mensen die buiten de gevestigde maatschappij of kloostergemeenschappen wilden leven, in eenzaamheid of gescheiden van anderen, om op die wijze God te dienen, of Christus na te volgen. Sommigen in alleenzaamheid of strikt eenzaam, afgesloten van de rest van de wereld. En van het begin van de Christenheid af ontstonden er kloosters of kloosterorden, met mensen die in gemeenschappelijk verband, samen wilden leven in eenvoud en zonder maatschappelijk voordelen. Om in soberheid en armoede Christus na te volgen en God te eren, aan de hand van vastgestelde regels. Zij leefden en leven tot aan de dag van vandaag in gehoorzaamheid aan de regel van een betreffende orde, of aan de Abt of Abdis van die orde. Door te leven in horigheid aan Christus en zijn evangelie te aanvaarden als hoogste vorm van leven, door de kracht van zijn Geest, die aan een ieder zijn gave uitdeelt zoals het gebeurd, streven zij in gemeenschappelijkheid en dienstbaarheid naar een vorm van samen leven en werken; voor elkaar en voor de mensheid.

Persoonlijk statement

‘Zijn’ aanwezigheid, die van Christus, in deze wereld present stellen

met de liefde in het midden.

Sinds 1995 ben ik mij zelf als een Godzoeker gaan beschouwen, en dat heeft me nu zover gebracht dat ik kan zeggen dat ik een leven als religieus wil leiden, in die zin dat ik me geroepen weet om deel te nemen aan, en me in wil zetten voor; een Universele wereldkerk op aarde, onder andere volgens de Christelijke traditie waarin ik opgegroeid ben, wetende dat er een wereldomspannend besef aan Godsbegrip bestaat, ontstaan en vorm heeft gekregen in zeven grote wereldgodsdiensten, ieder met een eigen Godsbeeld of Godbesef en rituelen. Of ik als ‘godzoeker’ God gevonden heb? dat is moeilijk te zeggen, wat ik wel kan zeggen is; of God nou wel of niet bestaat, het gaat om het geloof, - het ‘geloof’ in God, dat bestaat, dat is zeker , het ‘geloof’ dat als een werkzaam bestanddeel aanwezig kan zijn in mensen.

 

[meer lezen? klik naar M.05.03]

 

 

 

 

 

[14] Abdij Quincy: uit Pelgrimsnieuws.

 

Notre Dame de Quincy

Een hoge muur. Hoger dan hoog. Onttrekt wat erachter ligt aan het zicht. Een gesloten poort. Deze zal pas in de latere middaguren geopend worden. Het is nu vroeg in de ochtend. Een bedekte hemel. Niemand in de buurt. Grote stilte …. Abdij de Quincy… Wat te schrijven over een abdij die ik niet bezichtigd heb? Wat te schrijven over een abdij waarover zelfs zich de onuitputtelijke informatiebron internet blijft zwijgen?

 

Een abdij ‘achter de muren’, die geduld vraagt als je haar wilt ontdekken. Ik moet denken aan de Regel van de H. Benedictus, waarin van belangstellenden geëist wordt om drie keer aan de poort van een abdij te kloppen, alvorens toegelaten te worden tot het monastieke leven. Ik ben bij voorbaat gedoemd om voor die toets te zakken, want de reis wil vervolgd worden: op naar de volgende cisterciënzer abdij! Geen tijd om te wachten tot de late middaguren, geen geduld!  En toch… Er zijn soms momenten in het leven wanneer je op een plek komt en je meteen het gevoel hebt: Hier ben ik thuis! Of: Hier heb ik in een vroeger leven geleefd, hier kom ik vandaan! (mocht je in vroegere levens geloven, wat ik niet doe). Dit thuisgevoel nestelt zich meteen in mijn buik, hier voor de poort van het raadselachtige, ongastvrije Quincy. Mijn hoofd vertaalt het thuisgevoel als volgt: Als ik rijk was (denk multimiljonair) of als ik een abdij zou moeten stichten, dan zou ik mij deze plek toe-eigenen om me te vestigen.

 

Bij de poort blijf ik nog één keer staan om de informatieborden te lezen. Ik lees dat de abdij van Quincy in onze dagen dienst doet als cultureel ontmoetingsoord, als populaire locatie voor tentoonstellingen, lezingen, concerten. Een plek waar mensen wél een stem krijgen. Waar vragen gesteld worden. Waarover ontdekkingen uitgewisseld worden. Waar handenarbeid mag pronken mag en het gebed vele stemmen en gezichten kent. Een plek die wél druk en actief opgezocht wordt, ondanks de onverharde weg waar auto’s stoppen, in de late middaguren.

Harry.

            [meer lezen? klik naar 00A2abdij]

 

 

 

 

 

[15] ‘HIER’ IS GODS AANWEZIGHEID

VOELBAAR AANWEZIG …

Soms dan word ik ineens gegrepen door een diepe stilte, als ik wandel door de bossen van de Veluwezoom. Dan zie ik of ervaar een gebied, wordt er door geraakt, en weet; hier is iets wat ergens anders minder is, althans niet zo door mij wordt ervaren.

Hier is dan aanwezigheid ervaarbaar en zichtbaar; van een, ik noem het ‘orgoon’ het is iets organisch, iets weldadigs, verkwikkend, het is groeikracht en meer dan dat. Het is iets levends, het is zo licht dat het doorschijnend is, niet zichtbaar, niet tastbaar, misschien wel meetbaar, ‘het is er’, je voelt het. Je weet dat het bijna onnoembaar is, ‘iets’ levendigs, het is net zo waarneem als licht, als energie.

Is het dàt wat wij Gods aanwezigheid noemen, ervaarbare werkelijkheid van Gods Geest, Kracht of Macht? We noemen het ook wel liefdesmacht dat tot leven leidt. Het is iets waar je naar toe wilt, je wil er in ondergedompeld worden. Je wilt ervan doordrongen worden, bekrachtigd, omhoog geheven en tegelijkertijd weet je dat het ook ingeworteld is in jou, het voelt weldadig aan de zekerheid te weten dat het er is.

Dit is onuitwisbare levens-bevorderlijke werkelijkheid, …  haal je de bomen, de bladeren het gras en de struiken weg dan wordt het een lege ruimte, dan is ‘t weg, niet meer zichtbaar, verdwenen, foetsie.

Waarschijnlijk gaat het ook zo bij mensen, die samen komen in kloosters, kerken en gemeenschapshuizen, daar is het ook aanwezig zichtbaar, anders toch wel voelbaar, het is iets van weten. Haal je de monniken en de mensen weg, dan is ‘t ‘weg’ verdwenen, althans niet meer gemeenschappelijk herkenbaar.

Gods Geest of Spiritualiteit, is niet waarneembaar zonder mensen.

[meer lezen? klik naar R.02.03]

 

 

 

 

 

[16] DE ROEPING VAN EEN KARMELIET.

Ontvangen van een monnik.

In de roeping tot de orde van de Karmel ligt de roeping tot het mystieke leven opgesloten als een gave van God, een loutere gave Gods, en meer als een gave, die Hij aan de geroepenen tot de Karmel wil geven, indien zij hun hart slechts voor ‘Hem’ openstellen en zich ontvankelijk maken voor deze buitengewone goddelijke bege­nadiging.

 

Keren wij tot deze bron van geestelijk leven op de Karmel terug, dan putten wij daaruit allereerst de blijde gedachte, dat allen die tot de orde van de Karmel zijn geroepen, in die roeping tegelijk een roeping tot het hoogste geestelijk leven, de mystieke bege­nadiging niet uitgezonderd, van God mogen zien. God wil dit innig verkeer met Hem, die de genie­ting van Hem aan velen schenkt. Maar de roeping tot de orde van de Karmel is een aanwijzing, dat Hij deze geroepenen op bijzondere wijze daartoe uitverkiest, mits zij geen beletselen[kanttekening] aan zijn genade stellen en blijven beseffen, dat de mededeling ervan toch altijd blijft, naar het woord van de vanouds in de orde bekende 'Institutio Mona­chorum' of 'Onderrichting voor de kloosterlingen', dat is een vrije gave Gods.

 

Op deze roeping en uitverkiezing legt Jan van Sint-Samson wel heel sterke nadruk. Het moet de eerste zorg van allen die tot de orde geroepen zijn, wezen, dat zij aan de genade Gods, die hun in zo overvloedige mate is toegedacht, geen beletsel in de weg stellen. Het is nodig dat zij werken en studeren, preken en andere werken van zielzorg verrichten, maar al hun werkzaamheden mogen nooit verhinderen dat zij met God leven en het innigst verkeer met God onderhouden. Dat is hun eerste en hoogste roeping, welke door geen andere kan worden tenietgedaan. En daarom moet eerst die grondslag worden gelegd en op die grondslag worden verder gebouwd. Hieruit volgt ook, dat Hij wil dat vooral de novicen van het ogenblik af dat zij in de orde zijn, zich toeleggen op een innig en diep geestelijk leven. En zich geheel voor de genade van God openstellen, opdat God zich met hen verenigt. En hen tot ‘innigste gemeen­schap’ met zich meevoert, en zij niet tot werkzaamheden van welke aard dan ook, zullen worden toegelaten, zonder dat eerst die grondslag is gelegd. En zij daarop hecht en innig met God verbonden staande ongehinderd de ‘verstrooiing van de werkzaamheden’ kunnen verdragen.

Uit het ‘vormingshuis’ te Boxmeer.
 

 

 

 

 

 

[17] Geloven, Geloofsverdieping en Geloofswerkelijkheid.

 

Het goede  van ‘geloofsverdieping’ (onderzoeken) (van dogma’s, ruis opzuiveren) is het besef aanwezig te zijn in de wereld van vandaag en dat je, je realiseert met velen anderen, mannen en vrouwen, en jongeren, dat we blijven geloven in een mensheid die niet verloren gaat. Dit is een groot ‘goed’, een ‘goed’ dat door geloof en verdieping behouden kan worden. ‘Geloofsverdieping’ binnen de bestaande kerken en geloofsgemeenschappen.

 

Met ‘geloofsverdieping’ wordt hier bedoeld, het je bewust richten naar een hogere orde van welzijn in ‘jezelf’ én ten behoeve van de ander je naaste. ‘Geloofsverdieping’ in een wereld, en in een samenleving met diverse geloofstradities, die groot van verscheidenheid zijn in; leer, ritueel, en gericht zijn op een (hogere?) macht die de wereld bestuurd en bevrijd.

 

Onder ‘geloofsverdieping’ wordt hier ook verstaan, dat ieder voor zich, én samen met anderen, dat er initiatieven worden ondernomen, zonder de eigenheid van een ieder aan te tasten, dat die initiatieven een samenhang (of acceptatie) gaan vinden in woord, viering en gebedsmomenten.

 

Opdat we in staat zullen zijn, in respect en geloofwaardigheid, de ‘gewelddadigheid’ in onze samenlevingen een halt toe te roepen. Het is voor mij althans een vast gegeven dat in alle geledingen, en in de onderscheidene groepen van onze samenleving, dat er daar een wil bestaat in mensen, dat hen gericht doet zijn op een ‘orde’ (acceptatie v.d. verschillen) en ik geloof dat religieuzen en geloofsgemeenschappen daar een rol in kunnen spelen.

[meer lezen? klik naar GG.06.11]

 

 

 

 

 

[18] ‘OVERWEGINGEN’ OVER HET JUISTE GEBRUIK VAN STUDIE,

MET HET OOG OP DE LIEFDE TOT GOD

Geschreven door Simone Weil 1909-1943:

De sleutel tot het christelijk verstaan van alle studie is hierin gelegen, dat het gebed een akte van de aandacht is, het zich richten van alle aandacht, waartoe de ziel in staat is, op God. De aard van de aandacht bepaalt grotendeels de aard van het gebed. Warme ijver van het hart kan hieraan niets toevoegen.

Alleen de hoogste top van onze aandacht raakt aan God, wan­neer nl. het gebed voldoende intens en zuiver is om zulk een aanraking mogelijk te maken.

De studie op school ontwikkelt, wel verstaan, meer de lagere vormen van de aandacht, maar toch geeft zij volledig de mogelijkheid om het vermogen tot die aandacht te doen groeien, die dan beschikbaar zal zijn bij het gebed, mits men de studie uitsluitend voor dit doel beoefent. Hoewel men dat tegen­woordig niet schijnt te weten, is het vormen van het vermogen tot aandacht het ware en bijna uitsluitende doel van alle studie. Het merendeel van het leren op school heeft ook nog een zekere intrinsieke waarde, maar deze komt toch eerst op het tweede plan. Alle studie, die een beroep doet op het vermogen tot aandacht, is van belang, op grond van dezelfde overweging en bijna zonder onderscheid.

Lyceïsten, studenten, die in God geloven, zouden nooit moeten zeggen: 'ik prefereer wiskunde', 'ik frans', 'ik houd van grieks'. Zij moeten leren ál deze vakken te waarderen, want dit doet de aandacht groeien, die, indien zij op God is gericht, de kern van alle bidden uitmaakt.

Het feit, dat men geen talent voor wiskunde heeft, en er ook geen zin in heeft, kan niet verhinderen, dat het zoeken van de oplossing van een vraagstuk en het bestuderen van een bewijsvoering toch de aandacht bevordert. Ja, verre van een belemmering te zijn, is het bijna een gunstige omstandigheid.

 

Het doet er zelfs weinig toe, of men de oplossing weet te vinden, en het bewijs kan narekenen, hoewel men wel zijn best moet doen. Maar in geen geval is een poging tot aandacht vergeefs gedaan. In geestelijk opzicht heeft het altijd gevolgen en dien­tengevolge bovendien heeft het effect op het lagere niveau van ons intellect, want ieder licht van wezenlijk geestelijke aard, verlicht ook het algehele denken.

 

[meer lezen? klik naar, 3-religie]

 

 

 

 

 

[19] Het Onze vader In het aangezicht van de dood.

[het onze vader van Alfred Delp 1943]

 

Het Onze Vader.

Op dit absolute hoogtepunt van mijn bestaan waarop ik nu ben gekomen, verliezen veel woorden hun zin en waarde. Ik kan ze niet eens meer aanhoren. Dat ligt allemaal zover daar beneden. Ik zit hier boven op mijn rotspunt, en wacht ... totdat iemand mij naar beneden stoot. Tot de woorden die hier op de top hun geldigheid behouden, en opnieuw hun zin onthullen, behoren de woorden van de oude gebeden. Zoals de Heer ons die geleerd heeft.

Onze vader die in de hemel zijt ...

De dialoog met de mens hoort bij de mens, opdat hij/zij zich opent en tot zichzelf komt. Maar dan meer nog de dialoog met het absolute (het Om Tat Sat). Daarom is het nog niet voldoende om een idee of ideaal van een ander leven te hebben. De Persoonlijke God is de God van het leven. Pas in de dialoog met Hèm komt de mens pas echt tot leven. Hier leert de mens de voornaamste voorwaarden van het leven kennen: aanbidding, eerbied, liefde en vertrouwen. Alles wat in het leven beneden het peil van deze dialoog blijft, al is het nog zo een vurig, ernstig en vertrouwd gebeuren, het is onaf en op den duur onmenselijk. De aanbidding is voor de mens de weg om tot zich-zelf te komen.

Uw Naam worde geheiligd (YHchVH).

Mens en mensheid gaan verloren als niet in hun midden, in het tastbare bestaan, een onaantastbare waarde, een onkwetsbaar goed staat (drager of matrix). De ‘mensheid’ is altijd al op de noodzaak ingesteld iets te moeten of willen heiligen. En wanneer steeds dat centrum verdrongen wordt, komt er iets anders voor in de plaats, iets onechts, dat daarvoor in de plaats ‘heiliging’ opeist (idolate verering, dogma’s of kunstmatige intelligentie). We komen juist nu uit een moorddadig zelfmoordconflict (oorlog en het derde rijk 1932-45), met een zelf-made-centrum (ieder voor zich en God voor ons allen. Deze surrogaat waarden zijn echter veel absoluter en onverbiddelijker dan die van een levende God. Deze mensen weten niets van de voornaamheid van “het kunnen wachten”, en van de “vrije verwerving” en van het  “genadevol appèl” van de zaligmakende ontmoeting met het ‘Universele Goddelijke’. Zij, kennen alleen: eisen, dwang, macht, bedreiging en vernietiging. Wee hem die anders is!

[meer lezen? klik naar 42-onze]

 

 

 

 

 

[20] HET ONZE VADER VAN DE 21STE EEUW. [van mijzelf]

 

O Universele Liefdes Macht. Jij bent aanwezig over geheel de aarde, als liefdes energie in alles wat leeft groeit en sterft.

 

Mensen kunnen niet meer geloven dat jij de wereld kan redden. O Universele Liefdesmacht, jouw werkzaamheid is echter aanwezig in mij en in ons allen.

 

Laten wij ons er bewust van zijn, dat jij, de drijfkracht bent van ons liefdesvermogen. Dat wij door jou als ons ‘liefdesvermogen’, wij het paradijs op aarde kunnen verwezenlijken.

 

Liefde is als ons dagelijks brood. En onze ‘hartstocht’ is als wijn dat ons ‘elkaar’ doet liefhebben, ongeacht afkomst, status of etniciteit.

 

‘Liefde’ als dagelijks brood voor ons wezenlijke bestaan.

 

Tot in de eeuwen der eeuwen.

Amen.

 

[meer lezen? klik naar G.04.29c]

 

 

 

 

 

Einde Deel I.